Volkstuin van Bemar

Perenbomen

Perenbomen:

Wij hebben twee rassen perenbomen in de tuin staan:

  • pyrus communis Conferance
  • Stoofpeer Gieser Wildeman

Nadat we ze afgelopen jaar [2017] verplaatst hebben van onze “oude”tuin naar de “nieuwe tuin” heet de peer Conferance geen vruchten gegeven. De Gieser Wildeman had een stuk of 6 peren.

Verzorging:

Peren groeien graag op voedzame, diep doorlatende grond, die iets aan de zure kant of neutraal is. Daarnaast waarderen ze een zonnige, beschutte standplaats, waar de grondwaterstand niet te hoog is. Als de bomen zonnig staan zijn ze minder vatbaar voor schimmelinfecties, en krijgen de vruchten een hoger suikergehalte. Peren kunnen aangeplant worden tussen november en eind februari, zolang het niet vriest. In het voorjaar kun je mest strooien. De boom kan dan de voedingsstoffen opnemen voor een ‘boost’ richting de zomer. Verder is het snoeien van een perenboom de beste verzorging die je hem kan geven. Door te snoeien geef je hem ieder jaar voldoende kracht voor nieuwe vruchten.

Snoeien

Het snoeien van een perenboom gebeurt op vrijwel dezelfde wijze als bij de appelboom, en heeft twee doelen. Ten eerste is het de bedoeling om een evenwichtige kroon (of leivorm) te ontwikkelen, met niet te veel gesteltakken. Ten tweede zal de boom, om er vruchten van te krijgen, vruchtlot of spoortjes moeten gaan vormen. Perenbomen zijn pas laat vruchtbaar, het kan wel 6 tot 8 jaar duren voordat de eerste peren geoogst kunnen worden.

Snoeien gebeurt tussen begin december en eind februari, wanneer de groei stil staat, en wanneer het niet harder vriest dan -5 graden Celsius. Het eerste jaar worden de gesteltakken gevormd, in totaal circa 4 of 5 stuks. Aan het eind van het tweede jaar kunnen nog 3 tot 4 gesteltakken behouden worden, zodat het totale gestel nu uit 8 takken bestaat. De gesteltakken worden het tweede jaar op een lengte van circa 50 cm net boven een omlaag gericht buitenoog gesnoeid. De overige scheuten worden (indien nodig) weggeknipt, of ingekort tot 4 knoppen. Het doel hiervan is om een onder een hoek van 45 graden een van de boom afstaand takkenstelsel te krijgen, waarbij de gesteltakken zich in etappes verlengen. Door de geleidelijke verlenging ontstaan zijtakjes, waarop zich later het vruchtlot zal gaan vormen. Het derde jaar worden de verlengende delen van de gesteltakken in de winter weer teruggeknipt op 25 cm lengte, waarbij gesnoeid wordt op een buitenoog dat tegenovergesteld staat aan de snoeirichting van de vorige snoeibeurt. Zo ontstaat een zigzag-patroon van verlengingen dat op den duur weer een bijna rechte, maar wat horizontaal afstaande gesteltak oplevert. De zijtakjes die zich op de gesteltakken gevormd hebben worden in de tweede helft van juli ingekort tot 3 bladeren, of een lengte van ongeveer 10 cm.

De meeste peren groeien aan horizontale takken. In de eerste jaren van de boom is het daarom belangrijk om ervoor te zorgen dat verticale takken naar beneden gebogen worden. Buig hiervoor de takken in de zomer rustig naar beneden en span deze met een touw vast, bijvoorbeeld aan een haring die in de grond is geslagen. Doe dit vooral bij een jonge boom omdat bij een jonge boom de takken nog flexibel zijn. Na ongeveer een jaar blijft de tak horizontaal staan en kan het touw verwijderd worden. Knip bij een oudere boom de verticale twijgen en takken juist af.

Zorg ervoor dat de perenboom niet te dicht groeit. De boom kan dan te weinig licht krijgen waardoor de oogst kan gaan tegenvallen. Vooral de bovenkant van de boom wil vaak dichtgroeien. Snoei hier de oude takken weg, vlak boven nieuwe takken.

De daarop volgende jaren herhaalt dit patroon zich. In de winter wordt telkens eerst dood, kruisend en ziek hout weggehaald. Alle vertikaal omhoog groeiende zijtakjes worden helemaal verwijderd: op meer horizontaal groeiende takken ontwikkelt zich meer vruchtlot. Ook zijtakken die naar de spil toegroeien worden weggehaald, net als sprieterig doorgeschoten jong schot met weinig knoppen.
De verlengingen van de gesteltakken worden weer ingekort tot 25 cm op een tegenoverliggend, liefst omlaag gericht oog. Hebben de gesteltakken hun uiteindelijke lengte bereikt dan wordt de nieuwe aanwas telkens helemaal weggehaald. In de zomer worden zijtakken en secundaire zijtakken telkens tot 3 bladeren of 10 cm teruggeknipt. Hierop ontwikkelen zich in de loop der jaren de bloemdragende spoortjes. Wanneer deze te dicht op elkaar staan moeten de spoortjes in de winter gedund worden. Circa 6 weken na de bloei zal de boom zelf een deel van de overtollige vruchten afstoten. De overblijvende vruchten moeten zo uitgedund worden dat ze op een onderlinge afstand van 15 tot 20 cm uiteen hangen.

Voor het opkweken als spil, piramide of palmet wordt na het planten in het eerste jaar de hoofd- of spiltak op 80 cm hoogte afgeknipt, of op 20 cm boven de bovenste gesteltak. Ieder jaar zorgt de topscheut voor een verlenging, tot een totale hoogte van maximaal 2,5 m bereikt is. Door telkens op een tegenoverliggend ook terug te snoeien ontwikkelt zich uiteindelijk een min of meer doorlopende spil. Heeft de leivorm de gewenste hoogte bereikt dan wordt de kop telkens teruggezet tot op de laatste gesteltak onder de top. De gesteltakken of zijscheuten worden afgesnoeid op een lengte van 1 m. Bij leivormen als het palmet en de piramide worden de gesteltakken horizontaal aangebonden.

Takken die ontstaan op de onderste 70 cm van de spiltak of stam worden geheel weggehaald. De nieuwe groei op de gesteltakken wordt in de winter telkens ter geleidelijke verlenging teruggesnoeid tot 25 cm, de zijtakken op 3 bladeren of 10 cm. Verder verloopt het snoeien hetzelfde als bij een vrijstaande boom. Bij een snoer wordt de hoofdspil onder een hoek van 45 graden aangebonden. De top van de spil wordt pas weggesnoeid als hij zijn totale lengte bereikt heeft. Er worden geen gesteltakken gevormd. De zijtakken worden in november teruggesnoeid tot 4 knoppen, de secundaire zijtakjes op 3 cm. Dit wordt in de zomer herhaald, waarbij bij de snoei de bladrozetten aan de basis van de zijtakken in ieder geval moeten blijven zitten.

Wanneer een boom moeizaam vruchtlot maakt, kan geprobeerd worden dit door kerven te stimuleren. Half maart wordt dan net voorbij een slapend oog een kerf van 5 mm diep in de tak gemaakt. Het slapende oog zal zich op die manier sneller tot zijscheut en later tot vruchtlot ontwikkelen. Jonge perenbomen kunnen beter niet bemest worden, omdat dit voortijdig afvallen van vruchten tot gevolg kan hebben. Wanneer de bomen ouder dan 6 jaar zijn kan in april een kunstmestgift gegeven worden, wanneer het blad geelgroen verkleurd is. Meestal is bemesting echter niet nodig.

De peren mogen niet aan de boom rijpen: dan worden ze buikrot. Peren zijn plukrijp als ze van donkergroen wat gelig beginnen te worden, en zodra de steeltjes op het punt waar ze de takken raken beginnen te zwellen. Ze worden geplukt met een opwaartse draaiende beweging. Laten ze niet los, dan zijn ze nog niet plukrijp. Na het plukken worden de peren het beste 1 of 2 weken op een koele, donkere plaats, waarna ze op een warmere, donkere plek verder mogen rijpen.[ bron : tuinen van Appeltern]

%d bloggers liken dit: